Overheid
info@vangoud.nl
026 - 443 50 20
Vastgoed
info@vangoud.nl | 026 - 443 50 20

Bestuursorgaan gaat vaker de rekening betalen in hoger beroep

21 juni 2018

Inleiding

Op grond van artikel 8:75 Awb is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd om een partij te veroordelen in de kosten die zijn gemaakt voor (administratief) beroep en/of bezwaar. Wanneer een succesvol beroep aanleiding geeft voor vernietiging van het bestreden besluit, veroordeelt de rechter het bestuursorgaan in de proceskosten. Een logisch gevolg, nu duidelijk is dat het bestuursorgaan zijn huiswerk niet goed heeft gedaan en de burger kosten heeft moeten maken om zijn gelijk te krijgen.

Maar hoe werkt dat in hoger beroep? Daar staat niet het bestreden besluit, maar de uitspraak van de bestuursrechter centraal. Draait het bestuursorgaan ook op voor de proceskosten wanneer alleen een gebrek is aan de uitspraak van de bestuursrechter en het besluit rechtmatig blijkt? Artikel 8:75 Awb biedt geen grondslag om de rechtbank (de Staat) te veroordelen in de proceskosten.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) beantwoordde deze vraag bevestigend in haar uitspraak van 4 april 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1106). Voor een proceskostenveroordeling ten laste van het bestuursorgaan is niet langer de uiteindelijke rechtmatigheid van het besluit bepalend, maar het al dan niet slagen het ingestelde rechtsmiddel. Daarmee breekt de Afdeling met haar eigen lijn en sluit zij zich aan bij die van de andere hogerberoepsrechters.

De casus

In deze zaak ging het om de intrekking van een omgevingsvergunning bouwen en milieu ten behoeve van het (her)bouwen van stallen en het houden van dieren. Een omwonende had verzocht om intrekking van de omgevingsvergunning, nu nog geen bouwwerkzaamheden waren verricht en aannemelijk was dat hier op afzienbare termijn geen gebruik van zou worden gemaakt. Het college van B en W van gemeente Boxtel (hierna: ‘het college’) heeft dit verzoek afgewezen, nu vergunninghoudster heeft toegelicht waarom er nog geen bouwwerkzaamheden zijn verricht.

De omwonende gaat in beroep bij de bestuursrechter. Hierbij stond de vraag centraal of het college onder deze omstandigheden de omgevingsvergunning had moeten intrekken. De rechtbank overwoog dat wanneer aannemelijk is dat binnen afzienbare tijd geen werkzaamheden worden verricht ter realisatie van het vergunde initiatief, het college gehouden is tot intrekking. Het college krijgt opdracht om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, strekkende tot intrekking van de omgevingsvergunning.

Vergunninghoudster gaat in hoger beroep. De Afdeling overweegt dat de enkele omstandigheid dat vergunninghoudster niet aannemelijk weet te maken dat zij de omgevingsvergunning alsnog binnen korte termijn zal benutten, in principe voldoende is voor een intrekking. Dit neemt echter niet weg dat het intrekken van een omgevingsvergunning een discretionaire bevoegdheid is van het college. Aangezien er in dit geval een zorgvuldige belangenafweging is gemaakt, bestond er geen verplichting tot intrekking van de omgevingsvergunning. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

Oordeel Afdeling over de proceskosten

Voorgaande casus is voor de Afdeling aanleiding geweest om – nu expliciet in afwijking van haar oude lijn – het college te veroordelen in de proceskosten. Het wordt – zoals andere hogerberoepsrechters eerder overwogen – niet redelijk geacht dat wanneer ‘de kleine burger’ een rechtsmiddel succesvol aanwendt, zijn kosten niet vergoed krijgt. Ook merkt de Afdeling op dat artikel 8:75 Awb geen grondslag biedt om de Staat te veroordelen in de proceskosten. Mocht de wetgever dit onwenselijk vinden, dan ligt het op diens weg om de bepaling aan te passen. Verwezen zij naar de volgende rechtsoverweging:

 ‘’6.    Mede ter voorlichting van de rechtspraktijk, overweegt de Afdeling het volgende. Tot nu toe is bij de toepassing van artikel 8:75 van de Awb als regel het uiteindelijke oordeel omtrent de rechtmatigheid van het bestreden besluit bepalend geacht voor het antwoord op de vraag of een proceskostenveroordeling ten laste van het bestuursorgaan moet worden uitgesproken. De benadering van de andere hoogste bestuursrechters is een andere. Deze achten voor het antwoord op de vraag of tot een veroordeling van het bestuursorgaan in de proceskosten moet worden overgegaan, als regel het al dan niet slagen van het ingestelde rechtsmiddel bepalend. Ratio van de rechtspraak van de andere hoogste bestuursrechters is dat het niet redelijk wordt geacht dat de natuurlijke of rechtspersoon die met succes hoger beroep heeft ingesteld de bij hem opgekomen proceskosten niet vergoed krijgt. Uit een oogpunt van rechtseenheid sluit de Afdeling zich thans aan bij deze rechtspraak. Dit betekent dat in geval het hoger beroep slaagt, de kosten van dit beroep in beginsel voor risico van het bestuursorgaan komen, ook als het door het bestuursorgaan genomen besluit rechtmatig wordt bevonden. De Afdeling merkt hierbij op dat artikel 8:75 van de Awb in zijn huidige vorm de hogerberoepsrechter niet de mogelijkheid geeft om in de situatie waarin de uitspraak van de rechtbank onjuist is terwijl er sprake is van een rechtmatig besluit van het bestuursorgaan, de Staat in de proceskosten te veroordelen. Indien de wetgever het onwenselijk zou vinden dat in deze gevallen het bestuursorgaan in de proceskosten wordt veroordeeld, ligt het op diens weg de wet aan te passen.’’

Tot besluit overweegt de Afdeling dat de griffier aan ‘appellante en andere’ het door hen betaalde griffierecht terugbetaalt (zie in dat kader artikel 8:114 Awb); een doekje voor het bloeden voor het bestuursorgaan dus.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit blog? Neem dan gerust contact met ons op.