Overheid
info@vangoud.nl
026 - 443 50 20
Vastgoed
info@vangoud.nl | 026 - 443 50 20

Bevoegde rechter bij nadeelcompensatie Tracéwet: de Afdeling gaat om!

28 augustus 2018

Bevoegde rechter bij nadeelcompensatie Tracéwet: de Afdeling gaat om!

Als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak opmerkt “… anders dan voorheen …”, dan heeft dat meteen de aandacht van juristen. Dit is doorgaans een aankondiging van een nieuwe lijn in de rechtspraak. Dit was in ieder geval aan de orde in de uitspraak van 22 augustus jl. (ECLI:NL:RVS:2018:2764, link), waarin de Afdeling een nieuw te varen koers bevestigt over de bevoegdheid van rechtbanken bij nadeelcompensatiekwesties op grond van de Tracéwet. De Afdeling oordeelt dat de rechtbanken niet bevoegd zijn, maar dat de Afdeling in die kwesties in eerste en enige aanleg bevoegd is. Verder is de uitspraak de moeite van het bespreken waard vanwege de samenloop van schadeveroorzakende handelingen en het moment van de aanvang van de verjaringstermijn.

Deze blog is een nadere verkenning van deze drie onderdelen; 1.) bevoegdheid rechtbank, 2.) samenloop schadeoorzaken en 3.) aanvang verjaringstermijn.

Achtergrond van de kwestie

De Harense Smid in Rosmalen stelt schade te lijden als gevolg van het Tracébesluit "Omlegging Zuid-Willemsvaart Maas-Den-Dungen" van 3 juli 2008. Dit Tracébesluit voorziet in de aanleg van het Maximakanaal en acht bruggen over deze nieuwe vaarverbinding. Eén brug ligt vlakbij het filiaal van de Harense Smid. Als gevolg van de geplaatste vangrail ter hoogte van de brug is Harense Smid minder zichtbaar. Bovendien was de Harense Smid vanwege de werkzaamheden minder bereikbaar.

In verband met de aanleg van het Maximakanaal zijn er van 2007 tot 2012 onderhandelingen gevoerd met de gemeente ‘s-Hertogenbosch over de verplaatsing van de Harense Smid. De gemeente ’s-Hertogenbosch was verantwoordelijk voor de aanleg van een ecologische verbindingszone in verband met de aanleg van het Maximakanaal. De onderhandelingen over de verplaatsing – en alle bijkomende schades – zijn uiteindelijk gestaakt, omdat de Harense Smid op de bestaande locatie zou worden ingepast. Verplaatsing was daardoor niet meer aan de orde. Dat was op 1 februari 2012. De Harense Smid heeft vervolgens pas op 13 mei 2015 een verzoek om nadeelcompensatie ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch, die het verzoek heeft doorgezonden aan de minister van Infrastructuur en Milieu, thans de minister van Infrastructuur en Waterstaat.

De Harense Smid stelt inkomensschade te hebben geleden vanwege:

  1. de tijdelijke verminderde bereikbaarheid als gevolg van de werkzaamheden, en;
  2. de blijvend verminderde zichtbaarheid van de Harense Smid.

De minister heeft het verzoek afgewezen, omdat het te laat was ingediend.

De rechtbank heeft vervolgens op grond van artikel 12, tweede lid, Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 geoordeeld dat de minister het verzoek om die reden mocht afwijzen. Aldus de rechtbank zijn tussen de het onherroepelijk worden van de het Tracébesluit (24 maart 2010) en het indienen van verzoek om nadeelcompensatie (13 mei 2015) meer dan vijf jaren verstreken. Tegen dit oordeel heeft de Harense Smid hoger beroep ingesteld.

Oordeel Afdeling

De Afdeling gaat in het hoger beroep – voor zover hier van belang – in op de volgende drie onderdelen:

  1. ambtshalve oordeel over bevoegdheid rechtbanken in nadeelcompensatiekwesties op grond van de Tracéwet;
  2. samenloop van de schadeoorzaken, en;
  3. aanvang verjaringstermijn.

Ad 1.) Bevoegdheid rechtbanken

De Afdeling stelt in rechtsoverweging 8. vast dat de Tracéwet integraal is opgenomen in de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak van bijlage 2 Awb. De Afdeling verwijst daarbij naar de uitspraak van 8 augustus jl. (ECLI:NL:RVS:2018:2621, link), waarin de Afdeling ambtshalve heeft overwogen dat de wetgever in artikel 8:6, eerste lid, Awb, gelezen in samenhang met artikel 2, Bijlage 2 bij de Awb, de bevoegdheid van de rechtbank om in eerste aanleg te oordelen over een beroep tegen een besluit dat betrekking heeft op de Tracéwet uitdrukkelijk heeft uitgesloten.

De Afdeling vervolgt met:

“(…) Dit betekent dat de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd is kennis te nemen van beroepen tegen besluiten over verzoeken om nadeelcompensatie op grond van artikel 22 van de Tracéwet. Voorgaande brengt met zich mee dat de Afdeling deze beroepen in het vervolg dan ook - anders dan voorheen - in eerste en enige aanleg zal behandelen en afdoen. Voor de voorliggende zaak betekent dit dat moet worden geoordeeld dat de rechtbank geen kennis had mogen nemen van het beroep van H.I.M. voor zover dat ziet op de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van het Tracébesluit.”

Kortom, niet de rechtbanken, maar (enkel) de Afdeling is bevoegd kennis te nemen van het beroep in nadeelcompensatiekwesties als gevolg van (de uitvoering van) Tracébesluiten. Opvallend is dat eerst nu de Afdeling dit overweegt, terwijl de Tracéwet al sinds 1 januari 2013 is opgenomen in de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. Wat er ook van zij, op 18 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2802) heeft de Afdeling voor het laatst beslist in een hoger beroep dat betrekking had op een nadeelcompensatiekwestie op grond van de Tracéwet.

Ad 2.) Samenloop schadeoorzaken: Tracébesluiten en uitvoering werkzaamheden

Niet nieuw, maar wel pikant voor de uitkomst van dit hoger beroep is het vervolg van r.o. 8 in de uitspraak van 22 augustus jl.

De Afdeling merkt op dat de schade die is geleden door de werkzaamheden, zozeer samenhangt met de schade die het Tracébesluit zelf meebrengt, dat het naar het oordeel van de Afdeling wenselijk om die samen te behandelen. De achtergrond van deze opmerking houdt verband met de omstandigheid dat tegen een beslissing op een nadeelcompensatieverzoek in de zin van de Tracéwet nog slechts beroep in één instantie openstaat, terwijl schade als gevolg van de uitvoering van de werkzaamheden nog steeds beroep in twee instanties mogelijk is; dus beroep en hoger beroep. De Afdeling acht zich tegen die achtergrond “in het vervolg in eerste en enige aanleg bevoegd om kennis te nemen van beroepen die niet alleen betrekking hebben op schade die een Tracébesluit zelf meebrengt, maar mede op schade als gevolg van feitelijke werkzaamheden die voortvloeien uit een Tracébesluit”.

Ad 3. Aanvang verjaringstermijn

Wat betreft de aanvang van de verjaringstermijn is de Afdeling van oordeel dat voor de beoordeling van de tijdigheid van een verzoek om nadeelcompensatie aansluiting moet worden gezocht bij de verjaringsregeling van het BW en het daaraan ten grondslag liggende rechtszekerheidsbeginsel. De Afdeling verwijst daarbij naar haar uitspraak van 9 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3719). Dit overweegt de Afdeling ten aanzien  van de tijdelijke inkomensschade als gevolg van de verminderde bereikbaarheid van de Harense Smid. Ten aanzien van de inkomensschade als gevolg van de blijvend verminderde zichtbaarheid heeft de Afdeling het volgende overwogen.

Vooropgesteld wordt dat in de Tracéwet geen bepalingen over verjaring zijn opgenomen. Deze omstandigheid geeft voor de Afdeling aanleiding aanleiding te oordelen dat de algemene verjaringsregels die zijn neergelegd in titel 11 van boek 3 van het BW van overeenkomstige toepassing zijn op een aanspraak op nadeelcompensatie voor schade veroorzaakt door een Tracébesluit. De Afdeling voelt zich onder andere gesteund voor deze keuze door de wetgever zelf ook die keuze heet gemaakt bij de nog in werking te treden artikel 4:131 Awb, waarbij eveneens aansluiting is gezocht bij artikel 3:310 BW (en de daarop gebaseerde rechtspraak van de Hoge Raad).

Onder verwijzing naar enkele arresten van de Hoge Raad vervolgt de Afdeling met het oordeel dat voor de aanvang van de verjaringstermijn vereist is “dat een benadeelde bekend is met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. De benadeelde moet daadwerkelijk bekend zijn met de schade en met de aansprakelijke persoon en daadwerkelijk in staat zijn om ook een rechtsvordering terzake in te stellen. Daarvoor dient hij voldoende zekerheid te hebben dat hij de betrokken schade lijdt of zal lijden (zie onder meer het arrest van 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552).”

Omdat de inkomensschade, zowel als gevolg van de werkzaamheden, maar ook door het ontnemen van het zicht, pas in de loop van 2011 is opgetreden, verwerpt de Afdeling het standpunt dat het recht om nadeelcompensatie te verzoeken zou zijn verjaard. Aldus de Afdeling heeft de Harense Smid haar verzoek om nadeelcompensatie ingediend voordat vijf jaar zijn verstreken, nadat de feitelijke werkzaamheden zijn begonnen en zij bekend werd met de daaruit voortvloeiende schade. De Afdeling voegt daaraan toe dat de Harense Smid ook pas met de schade als gevolg van het verminderde zicht bekend werd, nadat de onderhandelingen over de verplaatsing in 2012 waren gestaakt. Voor alle duidelijkheid sluit de Afdeling in r.o. 10.7 af met de volgende opmerking:

“De Afdeling hecht eraan ter verduidelijking nog het volgende op te merken. De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat de verjaringstermijn begint zodra het schadeveroorzakende besluit onherroepelijk is geworden (zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 9 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3719). Uitgangspunt in de zaken waarin dit werd beslist, was echter dat de benadeelde op dat moment ook daadwerkelijk bekend was met de schade en de veroorzaker daarvan. De toepassing van artikel 3:310, eerste lid van het BW brengt mee dat de verjaringstermijn soms later zal gaan lopen.

Opmerking verdient verder dat onderhandelingen de verjaringstermijn doorgaans niet stuiten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3182). Normaal gesproken zullen onderhandelingen immers plaatsvinden met de veroorzaker van de schade over de vergoeding daarvan en zal de schade dan bekend zijn. Volgens de verjaringsregels van titel 11 van boek 3 van het BW hebben onderhandelingen geen stuitende werking. In dit geval ligt het vorenstaande anders omdat de benadeelde niet heeft onderhandeld met de schadeveroorzakende partij, maar met een derde en de onderhandelingen ook niet zagen op het vergoeden van de schade die door de schadeveroorzakende partij is veroorzaakt, maar op het treffen van een maatregel die, als die zou zijn getroffen, tot gevolg zou hebben gehad dat deze schade niet zou zijn ingetreden, terwijl uitgangspunt bij die onderhandelingen was dat die maatregel getroffen zou moeten worden. Met het hiervoor overwogene is dan ook niet bedoeld terug te komen van de rechtspraak dat onderhandelingen de verjaringstermijn niet stuiten.”

Indien u vragen heeft naar aanleiding van dit blog of over andere nadeelcompensatie- of planschadekwesties, dan kunt u contact met mij opnemen.