Overheid
info@vangoud.nl
026 - 443 50 20
Vastgoed
info@vangoud.nl | 026 - 443 50 20

Verhouding zorgplicht netbeheerder en grondroerder ter voorkoming van graafschade

5 juni 2018

Inleiding

Bij werkzaamheden in de grond (graafwerkzaamheden) bestaat het gevaar dat schade ontstaat aan in die grond gelegen kabels en leidingen, waardoor aanzienlijke gevolgschade kan ontstaan. Zorgplichten om dergelijke schade te voorkomen rusten zowel op degene onder wiens verantwoordelijkheid of leiding graafwerkzaamheden worden verricht (de grondroerder) als op de netbeheerder. Op 25 mei 2018 heeft de Hoge Raad een arrest  (ECLI:NL:HR:2018:772) gewezen, waarin aan de hand van de WION, het BION en de Richtlijn Zorgvuldig Graafproces wordt ingegaan op de verhouding tussen deze zorgplichten.

De casus

De zaak die voorlag ging over grondroerende werkzaamheden die in 2013 door verweerster waren uitgevoerd ter renovatie van een grondkerende damwand ten behoeve van een fietsbrug over de Leidsevaart die in 1981 is geopend. Tijdens die werkzaamheden is schade ontstaan aan een middenspanningskabel waarvan Liander beheerder is. Verweerster heeft voordat zij met de werkzaamheden begon een graafmelding gedaan en een tekening ontvangen waarop de kabel is ingetekend. De informatie stamt uit de tijd waarin de kabel is gelegd, in 1956 of 1957. Verweerster heeft twee proefsleuven gegraven, waarbij de kabel is aangetroffen op de plaats waar deze volgens de tekening liep, namelijk aan de straatzijde van de aan te brengen damwand. Uiteindelijk is gebleken dat de kabel voorbij de tweede proefsleuf, anders dan op de tekening is weergegeven, afbuigt, onder de oude damwand door, naar de waterzijde en vervolgens weer terug naar de straatzijde, waarna de kabel de ingetekende ligging vervolgt. De schade is ontstaan aan de waterzijde van de oude damwand, daar waarde de kabel in afwijking van de tekening onder de oude damwand door loopt. De afwijking tussen de ligging van de kabel op de tekening en de werkelijke ligging bedroeg op het betrokken punt 1,02 dan wel 1,12 meter.

Relevante regelgeving

Aansprakelijkheid van de grondroerder voor schade aan de kabel kan worden aangenomen indien de grondroerder bij de uitvoering van de graafwerkzaamheden een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) jegens de kabeleigenaar of -beheerder heeft gepleegd. Daarvan kan sprake zijn indien de grondroerder de op haar rustende zorgplicht schendt.

De in deze zaak toepasselijke Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION), per 31 maart 2018 opgevolgd door de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken, geeft in artikel 2 als norm dat de grondroerder zorgvuldig moet werken, waarbij hij verplicht is tot het doen van een graafmelding en onderzoek moet verrichten naar de precieze ligging van kabels.

In artikel 5 lid 2 van het Besluit informatie-uitwisseling ondergrondse netten (BION), per 31 maart 2018 opgevolgd door het Besluit informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken, is onder meer geregeld dat de gegevens omtrent de horizontale ligging van een netwerk die door een netbeheerder na een melding van graafwerkzaamheden worden verstrekt, gebaseerd moeten zijn op metingen met een nauwkeurigheid van ten minste één meter.

Op initiatief van het Kabels en Leidingen Overleg, waarin diverse bij graafwerkzaamheden en netwerken betrokken partijen zijn vertegenwoordigd, is in 2008 de richtlijn Zorgvuldig Graafproces (CROW 250) tot stand gekomen. Voor het graven van proefsleuven bevat deze richtlijn een handleidingsprotocol, waarbij uitgangspunt is dat proefsleuven moeten worden gegraven als zich volgens de tekening binnen 1,50 meter aan weerszijden van het graafprofiel kabels of leidingen zouden bevinden.

Oordeel Hoge Raad

In de beschreven casus heeft verweerster informatie ingewonnen en twee proefsleuven gegraven om de nabij het werk gelegen kabels te lokaliseren. De vraag of verweerster aansprakelijk is voor de schade aan de geraakte kabel, hangt ervan af of zij mocht volstaan met het graven van de bewuste proefsleuven, of dat zij zich meer inspanningen had moeten getroosten om het verloop van de kabel te bepalen. Het gerechtshof Amsterdam oordeelde dat verweerster in de gegeven omstandigheden mocht volstaan met de gegraven sleuven, waarbij het hof onder meer betekenis toekende aan de verwachtingen die verweerster mocht ontlenen aan de door haar ontvangen tekening. In cassatie klaagt Liander daar met succes over.

De Hoge Raad overweegt omtrent het BION in de eerste plaats:

‘Het hof heeft miskend dat art. 5 lid 2 BION weliswaar op de netbeheerder de verplichting legt gegevens over de horizontale ligging te baseren op metingen met een nauwkeurigheid van ten minste één meter, maar dat, in het bijzonder gelet op de doelstelling van de WION om gevallen van schade aan kabels en leidingen te verminderen, de grondroerder er niet zonder meer op mag vertrouwen dat de hem verstrekte tekening aan deze eis voldoet. De werkelijke ligging van het net kan immers door tal van oorzaken van de tekening afwijken.’

Vervolgens stelt de Hoge Raad vast dat het hof uit de Richtlijn Zorgvuldig Graafproces heeft afgeleid dat het ‘best practice’ is om bij het slaan van damwanden over het gehele traject van de aan te brengen wand de grond over een breedte van 1,50 meter aan beide zijden te onderzoeken om de kabel te lokaliseren. Hoewel de grondroerder dat had nagelaten, heeft het hof geoordeeld dat zij desondanks in de omstandigheden van dit geval niet onrechtmatig heeft gehandeld. De Hoge Raad overweegt naar aanleiding hiervan over de Richtlijn:

‘Het gaat bij de aansprakelijkheid voor graafschade aan kabels en leidingen uiteindelijk om een afweging waarbij onder meer de bezwaarlijkheid van door de grondroerder en door de netbeheerder te nemen voorzorgsmaatregelen moet worden bezien, ook in hun onderlinge verhouding, en waarbij deze moet worden afgezet tegen de mogelijke gevolgen van het beschadigen van kabels of leidingen. Bij gebreke van concrete wettelijke normering, komt bij die afweging, een daarmee bij de invulling van de maatschappelijke zorgplicht, groot gewicht toe aan de Richtlijn […].De rechter dient daarom bij de invulling van de zorgplicht in beginsel aan te sluiten bij de Richtlijn. Indien hij een daarvan afwijkende invulling van de zorgplicht wil geven, dient hij te motiveren welke omstandigheden rechtvaardigen dat in het concrete geval van de Richtlijn mocht worden afgeweken. Aan deze eis voldoet het oordeel van het hof niet.’

De motivering van het hof volstond in de eerste plaats niet in verband met de onjuiste uitleg die het hof aan artikel 5 lid 2 BION heeft gegeven, maar ook andere door het hof genoemde omstandigheden overtuigen volgens de Hoge Raad niet. Er zal, met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad, opnieuw moeten worden beoordeeld of verweerster aan haar zorgplicht heeft voldaan. De Hoge Raad verwijst de zaak daarvoor naar het gerechtshof Den Haag.