Overheid
info@vangoud.nl
026 - 443 50 20
Vastgoed
info@vangoud.nl | 026 - 443 50 20

Vaag plan geen aanvraag - geen vergunning van rechtswege

16 januari 2018

Om bestuursorganen aan te sporen tijdig op aanvragen te beslissen, heeft de wetgever de 'lex silencio positivo' (LSP) ingevoerd (par. 4.1.3.3 Awb). De werking daarvan komt er kort gezegd op neer dat als een bestuursorgaan te lang treuzelt met het beslissen op een aanvraag omgevingsvergunning, de vergunning wordt geacht te zijn verleend. In dat geval vindt dus geen inhoudelijke beoordeling van de aanvraag plaats. Als het bestuursorgaan de aanvraag had willen weigeren, dan had het maar binnen de beslistermijn (van doorgaans acht weken) moeten beslissen.

Om tijdig op een aanvraag te kunnen beslissen, moet het bestuursorgaan deze wel als aanvraag kunnen herkennen. Immers, zonder een aanvraag is het ook niet nodig daarop te beslissen. Mocht een aanvraag niet als zodanig worden herkend, dan kan de aanvrager na acht weken triomfantelijk zijn van rechtswege verleende omgevingsvergunning in ontvangst nemen. Dit is een bijzonder aantrekkelijk scenario voor een initiatiefnemer die een inhoudelijke beoordeling van zijn aanvraag wil voorkomen, bijvoorbeeld omdat op voorhand vast staat dat het college geen medewerking wil verlenen aan zijn initiatief zodat de aanvraag wordt geweigerd.

In een uitspraak van 4 oktober 2017 heeft de Afdeling geoordeeld over de vraag of een brief van enkele kantjes als aanvraag omgevingsvergunning had moeten worden aangemerkt. De brief is gericht aan het college en heeft als onderwerp "Plan voor Foodmarkt Amersfoort/herontwikkeling Argonweg - Vanadiumweg". In de brief wordt uitleg gegeven over het concept 'foodmarket' en een impressie gegeven van het plan. Er worden voorbeelden van mogelijke invullingen van de foodmarket gegeven en gesteld wordt dat het plan in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid. Tot slot wordt verzocht het plan aan de portefeuillehouder te mogen toelichten.

Het college heeft op de brief gereageerd met de mededeling dat het initiatief niet in overeenstemming is met het detailhandelsbeleid en daarom geen aanleiding te zien voor een gesprek met de wethouder. De initiatiefnemer meent dat de brief had moeten worden aangemerkt als een aanvraag. Halverwege de wollige brief is immers vermeld:

"Het is dan ook vanuit onze overtuiging dat het plan zowel kwalitatief als kwantitatief voldoet aan de beleidsmatige criteria dat wij u verzoeken om planologische medewerking voor de realisatie van ons plan."

De Afdeling gaat hierin niet mee en maakt mijns inziens terecht korte metten met de stelling dat de brief door het college als aanvraag had moeten worden aangemerkt. Van een bestuursorgaan kan niet worden verwacht elke brief van vier à vijf kantjes uit te pluizen op zoek naar een zin die impliceert dat sprake is van een aanvraag. Of sprake is van een aanvraag moet daaruit ondubbelzinnig blijken.

Voor de initiatiefnemer / appellant in deze procedure is het niet de eerste keer dat hij van de Afdeling de deksel op zijn neus krijgt. In een uitspraak van 23 augustus van dit jaar is ook sprake van een kantjeslange brief die volgens initiatiefnemer als aanvraag omgevingsvergunning voor (ook) een foodmarket had moeten worden aangemerkt. Ook hier oordeelt de Afdeling dat niet ondubbelzinnig is aangegeven dat wordt beoogd een aanvraag omgevingsvergunning in te dienen.

Het is rechtzoekenden niet vreemd de mazen in de wet op te zoeken en sommigen van ons verdienen daar zelfs hun geld mee. Dit lijkt mij echter een goed voorbeeld van een zoektocht waarbij bot wordt gevangen. Deze initiatiefnemer doet er goed aan zijn aanvraag in het vervolg weer in te dienen op de wettelijk voorgeschreven wijze, namelijk elektronisch of door gebruikmaking van het daarvoor bestemde formulier (par. 4.1. Bor).